Wolkers' fragmenten





Wolkers' fragmenten 2004 jaargang 9 nummer 9
Een terugblik op 2004Naar boven
Backpackavontuur
Wouter Wolkers trekt samen met zijn neef door New-Zeeland en Australië. Wil je meer zien van hun reis surf dan naar www.wolkers.net

Heerhugowaard – 24 mei 2004
Joost Wolkers schopt Hugo Boys naar de vijfde klasse. In het beslissende nacompetitieduel versloeg de Heerhugowaardse voetbalclub Hugo Boys thuisclub Petten met 2-1. Midden-velder Joost Wolkers joeg in de negende minuut van 25 meter de bal uit een afgeslagen vrije trap in de kruising achter de doelman. Nadat in de 58ste minuut een gelijkspel op het scorebord stond, kreeg Hugo Boys 7 minuten voor tijd een strafschop. Joost Wolkers werd door de coach aangewezen om die te nemen. Feilloos benutte de 18-jarige Wolkers deze buitenkans en bezorgde hij Hugo Boys zo de definitieve promotie naar de vijfde klasse.

Amsterdam – 23 juni 2004
Na zes jaar studeren, slaagt Martine Wolkers – bekend van het Nederlands- en Eurovisie Songfestival 2001 – voor haar eindexamen in de richting zang / lichte muziek. Dit gebeurde in de vorm van een concert en vond plaats in de Duke Ellingtonzaal van het Conservatorium van Amsterdam. Het concert duurde ongeveer 50 minuten en kende diverse stijlen (jazz, pop, blues, latin, braziliaans etc.). Daarmee sluit zij haar opleiding met succes af!

Lijnden – juli 2004
Jordy Wolkers behaalt zijn HAVO-diploma. Hij gaat eerst een jaartje freewheelen (mogelijk voor een tijdje naar Australië) en daarna waarschijnlijk verder studeren.

Noord-Amerika – juli 2004
Temperaturen rond de veertig graden Celsius zijn er eerder regel dan uitzondering. En water is er schaars. Toch bruisen de Sonora- en Mojavewoestijn in Noord-Amerika van het leven. Als daar regen is gevallen, staan de zandvlaktes enkele weken later spectaculair in bloei. Een mooie reportage van Hans Wolkers met schitterende foto’s – eveneens van Hans – in het juli-nummer 2004 van het tijdschrift Grasduinen.

Veghel – 8 oktober 2004
BAS Architectuur uit Veghel viert het 25-jarig bestaan (opgericht in 1979). BAS begon als ’Beunis, Van Asperen en Van Schijndel’. Na drie jaar gingen de laatste twee verder, maar ze lieten de naam in ere. Ook nadat Peer Wolkers er rond 1993 bij kwam werd het nog geen WAS. ‘Het is goed om een redelijk anonieme naam te hebben. Wij maken geen gebouwen uit eigen eer en glorie. We hebben ook niet echt een eigen stijl, dat interesseert ons niet. Het gaat erom dat een gebouw zich als een organisme op een plek nestelt. Dat het past. En het is aan ons om te zorgen dat wat we bedacht hebben er ook werkelijk zo uit komt te zien. Dat is vaak nog het moeilijkst’, zegt Wolkers.

Jan Wolkers in 2004Naar boven
Kunstenaar Jan Wolkers heeft op allerlei vlakken zijn creativiteit aan ons cadeau gedaan. Ook in 2005 zal hij veel in de belangstelling staan. Geraniums zijn nog niet aan hem besteed.

IJsselstein – 18 januari t/m 29 februari 2004
Jan exposeert voor de tweede keer in Galerie De Boog te IJsselstein.

Poetry Festival voor kinderen – 8 t/m 15 februari 2004
Jan Wolkers, Eva Gerlach en de van oorsprong Eindhovense kinderboekenschrijver Ted van Lieshout zijn enkele van de gasten op het 7e Poetry Internationaal Kinderfestival, dat plaatsvindt in het RO Theater te Rotterdam. Dit poëziefeest voor kinderen van 8 tot en met 12 jaar heeft als thema ‘Dichter en de held’.

Landsmeer – 24 februari 2004
Kunst voor stront. Een veiling ten behoeve van Landschap Noord-Holland brengt ruim 15.000 euro op. Met het geld heeft de natuurorganisatie bijna 2000 ton ruige mest gekocht, die is uitgereden over de zompige weilanden van kroonjuweel het Ilperveld. De stichting organiseerde een bijzondere veiling: kunst voor stront. Daaraan deden een kleine 20 kunstenaars en zo'n 100 bedrijven en organisaties mee. Er kwam onder andere een werk van Jan Wolkers onder de hamer, die het geen enkel probleem vond dat kunst gebruikt wordt om stront te kopen. Hij spreekt in dit verband van een bijzonder soort kunstmest. ‘Wij hebben de kunst geleverd, de boeren de mest.’

Utrecht – 24 februari 2004
In Vredenburg Utrecht vindt de '24ste Nacht van de Poëzie' plaats. Nederlandstalige dichters uit België en Nederland, zoals Jan Wolkers, Abdelkader Benali, Hugo Claus, Anna Enquist en Charlotte Mutsaers, lezen voor uit eigen werk. De voordrachten worden afgewisseld door muzikale en andere attracties.

Zwolle – 10 maart 2004
Jan Wolkers bijt de spits af in de grote Deltion zaal van Schouwburg Odeon in Zwolle, waar het Dubbel Talenten Festival wordt gehouden. Tijdens dit festival waren veertien voorstellingen te zien van kunstenaars met talenten op meerdere vlakken: schrijver en muzikant, schrijver en beeldend kunstenaar, cabaretier en schrijver of muzikant en dichter.

Tilburg – 17 en 18 april 2004
Tijdens het landelijke museumweekend houdt Jan een lezing in Museum De Pont.

Brummen – 18 april 2004
De Boekensteun is blij met de lezing die Wolkers komt geven in de bibliotheek in Brummen. Op deze middag zorgt zijn zoon Tom Wolkers met gitaar voor de muzikale omlijsting.
Amsterdam – 6 april 2004
Cabaretier Hans Teeuwen ontvangt uit handen van Jan Wolkers een gouden plaat (40.000 verkochte exemplaren) voor de registratie van zijn derde theaterprogramma 'Trui'.

Vledder – 1 april t/m 30 juni 2004
Het Museum voor hedendaagse grafiek en glaskunst, onderdeel van Museums Vledder, heeft een verkooptentoonstelling ‘Grafiek uit Nederland en België’. Bekende schilderende schrijvers zoals Wolkers, Cremer en Claus zijn daar in gezelschap van Cobra kunstenaars als Corneille, Appel, Alechinsky, Rooskens en Wolvekamp.

Europa – 10 juni 2004
De schrijvers Jan Wolkers, Maarten ’t Hart, Mensje van Keulen en Belinda Meuldijk zijn enkele van de prominente lijstduwers van de Partij voor de Dieren (PvdD) bij de verkiezingen voor het Europees Parlement. Wolkers: ‘Ik ga niet op campagne of discussies voeren. De tijd die ik nog heb, besteed ik liever aan mijn werk. Ik zie mijn taak als lijstduwer vooral als protestsignaal tegen de bio-industrie. Want je ziet wat er van komt als de maatschappij de dieren zo mishandelt als nu gebeurt. Vogelpest en varkenspest vliegen je om je oren.’

Zutphen – 21 juni 2004
De collectie van Museum Henriette Polak in Zutphen wordt uitgebreid met een schilderij van Jan Wolkers. De museumdirecteur en wethouder kozen samen voor het kunstwerk ‘Schuimende zee III‘. Zutphen hoopt hiermee ‘het museum nog aantrekkelijker te maken‘.

Amsterdam – 23 juni 2004
Het Auschwitzmonument in het Wertheimpark in Amsterdam wordt voor de vierde maal vernield. Een van de glazen platen van ‘Nooit meer Auschwitz’ van Wolkers is beschadigd. De politie gaat uit van een vernieling uit baldadigheid.

Den Haag – 28 juni 2004
Samen met de voorzitter directie TPG Post onthult Jan Wolkers het bronzen beeld ‘Communicatie’ met bijbehorend houten wandreliëf. De werken hangen in het bedrijfsrestaurant en staan buiten naast het hoofdkantoor van TPG Post aan de Prinses Beatrixlaan in Den Haag. Jan Wolkers heeft deze werken in 1965/1966 gemaakt in opdracht van de toenmalige PTT. Deze – onlangs gerestaureerde - werken zijn afkomstig uit het voormalige expeditieknooppunt aan de Oosterdokskade in Amsterdam, dat inmiddels (gedeeltelijk) is gesloopt.

Bloemendaal – 18 juli 2004
Jan opent de tentoonstelling ‘De Wadden’ in het Bloemendaalse gemeentehuis. Tien kunstenaars lieten zich voor deze expositie inspireren door de Wadden. Jan exposeert met vijf schilderijen die hij de afgelopen jaren op Texel maakte. Tijdens de opening leest Jan enkele gedichten voor uit de bundel ‘Wintervitrines’.

Amsterdam – september 2004
Wolkers gaat een monument maken voor Theo Thijssen, dat komt op de Amsterdamse begraafplaats De Nieuwe Ooster. Daar lag de schrijver van ‘Kees de jongen’ begraven, maar het graf werd in 1955 geruimd, twaalf jaar na de dood van Thijssen.

De Grootste Nederlander – 11 oktober 2004
Voorjaar 2004 opent de KRO de verkiezing van De Grootste Nederlander met de publicatie van een nominatielijst van 200 Grote Nederlanders. Iedereen in Nederland kon stemmen via internet, telefoon, sms of stemformulier. Uit deze stemronde is een officiële Top 100 ontstaan. Deze werd door de KRO gepresenteerd tijdens een 3 uur durende tv-uitzending. Jan Wolkers kwam op de lijst voor als nummer 88 (boven de schrijver Harry Mulisch).

Boekenweekgeschenk 2005 en ander nieuwsNaar boven
Het geschenk van de boekenweek maart 2005 wordt geschreven door Jan Wolkers. Deze boekenweek krijgt als thema ‘onze vaderlandse geschiedenis’. Met dit boekenweekgeschenk komt er nu dus toch weer een kleine roman met de titel Zomerhitte. Het belooft een spannend en op en top Wolkeriaans verhaal te worden, dat speelt langs de kust van een waddeneiland.

Dagboek
In dezelfde periode komt De Bezige Bij met nog twee verrassingen. Allereerst verschijnt Dagboek, een keuze uit de persoonlijke aantekeningen die Wolkers tussen 1972 en 1980 dagelijks maakte en waaruit hij niet eerder publiceerde.

Jan Wolkers wordt ‘verstript’
De tweede verrassing is het eerste deel van de strip-editie van Kort Amerikaans, getekend door Dick Matena. De volledige tekst van het boek wordt hierin opgenomen. Matena: ‘Wolkers beschrijft alles precies zoals het was. Ik zal me voor Kort Amerikaans dus uitgebreid moeten documenteren.’ Daarvoor heeft Matena met Wolkers een wandeling gemaakt door Leiden, waar het boek zich afspeelt. Kort Amerikaans wordt in kleur verstript en verschijnt in vier delen (maart en november 2005, maart en november 2006).

Musicalbewerking Turks Fruit
De beroemdste roman Turks fruit uit 1969, wordt omgewerkt tot een musical die in het seizoen 2005-2006 in de Nederlandse theaters komt.

Geboren en overledenNaar boven
Eerst nog even een berichtje uit 2003:

  • op 14 oktober 2003 werd Annalisa Wolkers geboren, dochter van Maurice Wolkers en zijn partner te Almere.


De volgende familieleden zijn overleden:

  • 12 januari 2004 op 90-jarige leeftijd Joannes Hendricus Alphonsus Maria (Jan) Wolkers te Maastricht. Hij was de oudste nog levende Wolkers uit de zogenaamde ‘tuinderstak’. Jan werd geboren te Amsterdam in 1913, toen nog de gemeente Sloten.
  • 16 maart 2004 op 83-jarige leeftijd Wijnanda Hendrica Alphonsa Maria Wolkers. Zij legde in augustus 1948 haar eeuwige gelofte af en heeft als non lange tijd in een klooster te Amersfoort doorgebracht.
  • 6 april 2004 op 87-jarige leeftijd Hendrik (Henk) Wolkers te Uithoorn. Henk was eerder bestuurslid van de Nederlandse Bakkerij Stichting.
  • 19 mei 2004 op 79-jarige leeftijd Anthonius Henricus Josephus (Ton) van der Biesen. Hij was de weduwnaar van Geertruida Hendrika Ignatia (Truus) Wolkers.


Website Wolkers' fragmentenNaar boven
Januari 2003 ging de website www.wolkers-fragmenten.nl de lucht in. Naast de nieuwtjes en genealogische gegevens is een deel van de site ingeruimd voor informatie over Jan Wolkers en trekt veel bezoekers. De site werd medio 2004 genoemd in het literaire blad Literatuur. Op de pagina ‘Nieuwe fragmenten’, waarmee de site standaard opent, worden met een zekere regelmaat de laatste nieuwtjes gemeld. De website zal binnenkort worden uitgebreid met een forum. Het aantal bezoekers is al meer dan 4.000 en komen werkelijk uit alle delen van de wereld. Heb je nuttige of leuke informatie of wil je reageren? Dat kan nu ook via mijn website.

Spreuk voor 2005Naar boven
'Blijf in de richting van de zon kijken, dan valt de schaduw vanzelf achter je'!

Visserman is een apart beroep waar je idee in moet hebben: Jaap WolkersNaar boven
Kottervissers zijn vrijgevochten lieden, die een onregelmatig leven leiden en hard moeten werken. In ruil voor die ongemakken verdienen ze geld als water. Het is maar een oppervlakkig beeld dat de meeste landrotten hebben van de beroepsvisserij. Vreemd is dat niet, want afgezien van de garnalenkotters ligt het merendeel van de vloot alleen in het weekeinde - onbemand - in de haven. Wat er in de rest van de week aan boord gebeurt, blijft buiten hun gezichtsveld. Ook bij deze krant bestond weinig kennis over de dagelijkse gang van zaken bij wat nog altijd één van de belangrijkste bedrijfstakken op het eiland is. Veel verder dan de doop van een nieuwe kotter en de vangstquota voor komend jaar ging de berichtgeving niet. Hoog tijd om daar verandering in aan te brengen, meende de redactie, die in Joop Rommets een vrijwilliger vond om een weekje mee naar zee te gaan. Op voorspraak van het bevriende bemanningslid Nils Seifert monsterde hij aan op de TX5 ‘Arie senior’ van de firma A. Ellen en zonen.

‘De meeste mensen hebben geen idee wat er loos is op een kotter. Die denken dat we ’s avonds voor de kant gaan en de volgende ochtend weer uitvaren. Het is goed dat ze daar eens wat meer over te weten komen.’ Aris Ellen vindt het een prima idee dat een journalist een week mee gaat, vertelt hij als hij me maandagochtend om half acht van huis (in Den Hoorn) ophaalt. De oudste van drie varende broers is enkele jaren geleden wegens een versleten rug afgekeurd voor de visserij. Sindsdien verricht hij hand- en spandiensten voor het familiebedrijf. Hij herstelt netten, haalt voor vertrek de bemanningsleden op en brengt ze vrijdagmiddag weer van de kotter naar huis, zodat hun auto niet de hele week op de haven hoeft te staan. Als ik instap, zit de op ’t Horntje wonende kok Nils Seifert al naast de chauffeur. Halverwege Den Burg en Oudeschild stapt ook machinist Sander Boeijen in. Op de kotter maak ik kennis met de rest van de bemanning: Jaap Wolkers, Peter Bremer en schipper Marco Ellen. Jan, de jongste van de broers Ellen, heeft een week vrij.

De TX5 ‘Arie senior’ is eigendom van de firma A. Ellen en zonen, die wordt gevormd door de broers Marco (47) en Jan (43) Ellen. Het schip kwam in 1984 in de vaart en kreeg in 1999 een nieuwe motor, als goedkoper alternatief voor een nieuw schip. Marco Ellen: ‘Een nieuwe kotter kost tien, elf miljoen gulden. Vroeger kwam er na een jaar of acht, negen steevast een nieuwe. Maar toen kreeg je bij de verkoop van je oude kotter hetzelfde bedrag als waarvoor hij was gebouwd. Dat is nu nog maar eenderde.’ Een blik in de Visserijalmanak, waarin de hele Nederlandse visvloot staat vermeld, laat zien dat de TX5 weliswaar één van de oudere Texelse kotters is, maar zeker niet de oudste. Veelzeggend is ook een vergelijking met de editie van 1988. ‘Veel grotere kotters, misschien wel de helft, zijn verdwenen. Een gevolg van de steeds strenger wordende Europese regels.’

Om tien voor acht start de machinist de motoren, een kwartier later maakt de TX5 zich los van de kade bij de visserijcoöperatie. In de stuurhut zie ik hoe de schipper zijn werk doet en de kotter door de havenmond loodst. We worden gadegeslagen door enkele vroege bezoekers, die bij de misthoorn staan. ‘Staan er nog fans van je bij?’, vraagt Marco. Ik antwoord ontkennend. Gitta heeft me bij de deur uitgezwaaid, nadat ze Nils en Aris had verzekerd dat ze me vrijdag graag terug wilde zien. Willem (6) en Rikus (3) sliepen op dat moment nog, net zo onwetend als ikzelf wat hun vader te wachten stond. ‘We gaan het Molengat door en varen dan naar het noorden. We gaan naar de P4. Die boei is veertig jaar geleden al verdwenen, maar vissers gebruiken de naam nog steeds als aanduiding. Dat is zo’n vijftig mijl boven Ameland. Een mijl is 1852 meter, dus reken maar uit.’

De regelgeving voor de visserij is complex. De belangrijkste beperking vormen de vangstquota, ingesteld om de visstand op peil te houden. Mocht een visser vroeger zoveel opvissen als hij wilde, tegenwoordig is hij gebonden aan maxima, die ieder jaar opnieuw door de Europese Unie worden vastgesteld. Dat gebeurt per vissoort en per land en is mede afhankelijk van de geschiedenis en de opgebouwde rechten. Om hun quota te vergroten, laten sommige visserijbedrijven hun schip registreren in een land dat van één of meer vissoorten méér mag vangen. Ellen: ‘Omvlaggen, noemen ze dat. Je ziet het veel bij de vloot van Urk. Nogal wat schepen varen er onder Duitse vlag, maar zijn gewoon van Urker eigenaren. Dat kan niet zomaar, natuurlijk, anders zou iedereen het doen. Het belangrijkste is dat je een bedrijf in het betreffende land koopt of een deel ervan. Maar je moet ook iemand uit dat land aan boord hebben. Het geeft een hoop rompslomp. Wij beginnen er in ieder geval voorlopig niet aan.’
Daarnaast geldt een maximumvermogen voor de motoren van nieuwe kotters van 2000 PK. Bestaande kotters, die soms over honderden PK’s méér beschikken, mogen tot hun twintigste verjaardag met hun oude motoren doorvaren. Dat betekent dat het vermogen van 2400 PK van de TX5 uiterlijk volgend jaar zal moeten zijn teruggebracht.
Veel wrevel bij de vissers heeft de regel gewekt die een maximum stelt aan de inhoudsmaat, zeg maar het aantal kubieke meters van een schip. ‘Om de ruimte en daarmee het comfort voor de bemanning te vergroten, zou je de achterkant kunnen dichtbouwen, zoals je bij veel nieuwe kotters ziet. Maar wij mogen dat niet. Brusselse logica’, zegt Ellen misprijzend. ‘Als je groter bent, dan vang je meer, zeggen de autoriteiten. Dat je als gevolg van de quotering helemaal niet meer mag vangen, daar hebben ze geen boodschap aan. Maar ondertussen hebben wij ons wel aan die regels te houden. Kijk, die quota en die regels voor PK’s, daar kan ik inkomen. Maar dit slaat nergens op.’

Uit voorzorg heb ik bij het ontbijt een pilletje tegen zeeziekte ingenomen, maar dankzij het rustige zomerweer is er zo weinig golfslag dat ik het zonder waarschijnlijk ook wel had gered. Terwijl we de Texelse kustlijn eerst nog geruime tijd in het oog houden, vertelt de schipper wat hij de komende dagen hoopt te vangen. ‘We gokken op de grotere tongen. De grootste, die van 38 centimeter en meer, brachten vorige week €12,93 per kilo op. En die van 33 tot 38 centimeter zelfs nog meer: €14,87. Dat zijn de restauranttongen, zeg maar, die passen mooi op een bord. Voor kleinere tongen lag de prijs veel lager. Voor de kleinste, van 24 centimeter, kreeg je maar €4,46 per kilo. Helaas vingen wij vorige week juist veel kleintjes, die gemiddeld nog geen €7,- per kilo opbrachten. Een Urker collega had nog geen derde van de vangst in kilo’s. Maar omdat hij vooral grote tongen ving, was zijn besomming wel bijna dezelfde.’ Wáár hij die grote vissen moet zoeken, is de moeilijkste vraag die een visser steeds heeft te beantwoorden. Deze week heeft Marco voor ‘de Oost’ gekozen, op advies van zoon Erik, die op de visserijschool in Urk zit en heeft gehoord van Urker vissers die er de afgelopen tijd uitstekend hebben gevangen. ‘Je houdt elkaar altijd in de gaten. Als je goed hebt gevangen, dan hou je je gedeisd, om te voorkomen dat ook andere vissers naar die plek gaan. Maar dit wereldje is klein en er is altijd wel iemand die je heeft gezien en die weer een ander spreekt die heeft gehoord dat je er een goede week hebt gehad. Dat kan reden zijn om het er ook eens te proberen. Vorige week zaten we een mijl of zeventig ten westen van Den Helder, nu beproeven we ons geluk op een andere plek. Je probeert steeds bij te sturen. Kleun je mis, dan krijg je volgende week wéér een kans. Dat is het voordeel van ons vak. Maar het blijft moeilijk. Je blijft vaak lang piekeren en soms loop je zondagavond nog met het ei in je kont.’

Vissers zijn niet alleen afhankelijk van de ervaringen van collega’s. Wie de natuur nauwkeurig bestudeert, komt ook een eind in de goede richting. In het voorjaar trekken veel vissoorten naar de kust, waar de temperatuur van het water dan snel stijgt. Overwinteren doen ze, eveneens met het oog op de temperatuur, juist in dieper water. ‘Kievietseieren zoek je ook niet in het Vondelpark’, zegt Ellen. ‘Maar heb je ergens een keer goed gevangen, dan is het niet automatisch zeker dat er volgend jaar weer veel vis zit. Dat hangt bijvoorbeeld samen met de lengte van de winter. En bij een snelle inval van de winter krijgen de tongen de lengte niet om naar dieper water te trekken en gaan ze dood. Dan pas je goed op de natuur, maar dan zegt dat ook niet alles. Het is niet zo dat wat we nu laten zwemmen er volgend jaar nog is.’ Ook de regels van de Europese Unie spelen een rol bij het bepalen van de beste visgronden. ‘’s Zomers zwemmen de tongen onder de kust. Maar dat is verboden gebied voor ons en voorbehouden aan de kleinere eurokotters. Het gebeurt wel dat zij in die periode meer vangen dan wij. Op zich is die regel wel goed. Zo hebben de vissen even de tijd om kuit te schieten.’

De ongeveer acht uur durende reis naar de P4 verloopt rustig. De bemanningsleden praten elkaar bij over hun belevenissen in het weekend, drinken koffie en eten even na het middaguur een paar boterhammen. In de wetenschap dat ze de rest van de week nog hard genoeg zullen moeten werken, zoeken ze geregeld hun hut op om even te gaan liggen. Op de schipper na gaat iedereen rond half vier naar dek. Omdat de grond hier een stuk zachter is dan elders op de Noordzee, wordt de tuigage aangepast. Het is een karwei dat ik met bewondering gadesla. In de stuurhut zit Marco, die als een volleerd kraanmachinist met behulp van knoppen en hendels kettingen laat lopen en netten laat zakken, af en toe door de geopende ramen aanwijzingen roepend naar de mannen, die in een fraai samenspel kettingen aan- en afhaken en kabels op- en afrollen en op die manier het dek en de netten in gereedheid brengen voor de eerste trek. Daarbij vallen termen waarvan ik nog nooit heb gehoord, zoals wekkers, kietelaars en snorren, die samen de tuigage vormen. ‘Dat is nu visserslatijn’, lacht Marco.

De quota dwingen de visser scherpe inschattingen te maken. Ellen: ‘Alles staat of valt met de prijzen die je krijgt. Ik probeer zo gespreid mogelijk te vissen, zodat ik het hele jaar door kan varen. Het klopt dat je kosten bespaart als je niet hoeft uit te varen. Maar als ik in oktober alles al heb opgevist en in november en december vliegen de prijzen omhoog, dan heb ik het niet goed gedaan. Je moet proberen zoveel mogelijk te verdienen tegen zo weinig mogelijk kosten. Dat vertel ik wel zo makkelijk, tussen neus en lippen door, maar het is makkelijker gezegd dan gedaan. Het kan best zijn dat ik en een collega in kilo’s evenveel opvissen, maar dat de één gemiddeld over een jaar €7,- per kilo verdient en een ander €12,-. Je kunt ook te zuinig zijn. Heb je dan aan het eind van het jaar een tijd slecht weer of een storing in je machinekamer, dan kom je misschien niet eens toe aan het volvissen van je quota. Sommigen speculeren en gooien aan het eind van het jaar een deel van hun quota op de markt, om te verhuren. Maar als niemand het nodig heeft, dan zitten zij ook mis.’

Even na vier uur gaan de netten uit. De snelheid van het schip gaat op dat moment terug van 13 knopen (mijlen) per uur naar zo’n 7,3 knopen. Er wordt gevist op zo’n 36 meter diepte. ‘Geen probleem’, vertelt Marco. ‘Wij gaan tot maximaal 80 meter. Nóg meer zou ook kunnen, maar dan heb je wel erg veel draad op je trommels nodig.’ De eerste trek is er één om de tuigage uit te proberen en duurt slechts een uur, zo’n driekwartier korter dan normaal. Als de netten worden opgehaald en op dek geleegd, staan de gezichten somber. De hoeveelheid vis valt tegen. ‘En moet je eens kijken wat een grond er boven komt’, wijst Marco. ‘Hebben we toch nog te zwaar gevist. Het is alweer een tijd geleden dat we hier waren, dan is het altijd even wennen. Je moet niet te diep door de grond ploegen, want dan vang je niks. Het beste is één centimeter, ik denk dat we nu op wel vijf centimeter zaten.’

Nadat de netten zijn geleegd, worden ze ogenblikkelijk opnieuw uitgezet. Terwijl de volgende trek begint, gaan de in waterdichte werkkleding gestoken bemanningsleden onder de bak, aan de voorkant van het schip, om de vis te verwerken. De hele vangst gaat over een lopende band en wordt nauwkeurig bekeken. De ‘maatse’ vis wordt er tussenuit gehaald en op soort gesorteerd. Tong bij tong, schol bij schol, griet bij griet, tarbot bij tarbot. De bijvangst wordt apart gehouden. Door de manier van vissen, belandt vooral platvis in de netten. Toch worden ook aardig wat kreeften bovengehaald en in mindere mate rondvis als kabeljauw en heek. De ondermaatse vis, krabben, zeesterren en andere rotzooi gaat direct weer overboord. Hoewel de bemanning snel handelt, overleeft een groot deel van de vissen de operatie niet. Kabeljauw is boven water ten dode opgeschreven, omdat z’n zwemblaas knapt. Van de platvis redt ongeveer de helft het. Vervolgens worden de vissen met een scherp mes gestript (van hun ingewanden ontdaan) en gaan ze in een soort centrifuge, om ze te ontdoen van zand, bloed en slijm. Uiteindelijk worden ze met brokken ijs in kisten opgeslagen in het ruim, waar een temperatuur van een paar graden beneden het vriespunt heerst. Wanneer hun werk er na een minuut of twintig op zit, zoeken de bemanningsleden de kombuis weer op en hebben ze een kleine vijf kwartier vrij om te eten, te slapen, een videofilm te bekijken of een boek te lezen. Tot de netten weer worden opgehaald en het ritueel zich herhaalt.

Na twee keer te hebben toegekeken, vraag ik of ik kan helpen. Ik heb niet de illusie dat ik erg productief zal zijn, maar om nog drieëneenhalve dag alleen maar wat rond te hangen lijkt me ook niet alles. ‘Dat liep ik ook net te denken’, zegt Nils. ‘Je kunt wel helpen strippen.’ Ik krijg een mes in handen geduwd. Nils pakt een tong, zet zijn mes in een kieuw, maakt een inkeping van enkele centimeters en trekt in één handige beweging de ingewanden van het dier eruit. ‘Nu jij. Je bent toch wel rechtshandig?’ Dat is niet het geval, waarna luid wordt geroepen om Peter, die ook linkshandig is. ‘Voor vijf euro doe ik het je voor’, grijnst die. Twee vissen later moet ik er zelf aan geloven. Het valt niet mee. Terwijl de anderen in hoog tempo doorwerken, heb ik na een hoop gemartel nog maar een deel van de ingewanden uit het glibberige beest gewerkt, terwijl ook de kop half los zit. Nils maakt het karwei geroutineerd af. ‘Straks doen we de schollen, dat gaat makkelijker’, troost hij. Dat blijkt maar ten dele waar. Een schol krijgt een sneetje vlak naast de kieuw, waarna je door met een vinger op de andere kant te duwen de ingewanden er al wat uit kunt drukken. Maar de keerzijde van de medaille is dat de meeste schollen een stuk groter zijn (maatse schol is tenminste 27 centimeter, tong 24 centimeter) en daardoor ook lastiger vast te houden. Geregeld glibberen ze uit mijn handen. Mijn regenjas is binnen een paar minuten besmeurd met bloed en een nogal wee ruikende smurrie, afkomstig uit de darmen van de vissen. Ik word er mismoedig van. Als het werk erop zit en de kleding met een forse straal zoutwater is schoongespoten, lopen we over het dek terug naar de kombuis. ‘Hoe gaat het met de krantenman?’, roept Marco belangstellend door het raam van de stuurhut. Het gaat wel, maar ik hoop dat strippen toch een beetje beter onder de knie te krijgen.

Ervaring kan de bemanning van de TX5 niet worden ontzegd. De 57-jarige Sander loopt het langst mee. Hij was nog vijftien toen hij voor het eerst aanmonsterde op een kotter. Maar ook de 52-jarige Peter (sinds zijn zeventiende) en de 47-jarige Jaap (sinds zijn zestiende) kennen het klappen van de zweep. Schipper Marco (47) komt uit een echte vissersfamilie. Ook zijn opa en zijn vader, Arie senior, verdienden hun brood in de visserij. Als scholier wilde Marco eigenlijk timmerman worden, maar toen hij zestien werd en zijn vader een nieuw schip kocht, besloot hij toch ook maar te gaan varen. ‘Tja, waarom word je visserman?’, herhaalt hij de vraag. ‘Je kunt vissen om te vissen en vissen om te verdienen. Het is beter dat je het niet alleen om het geld doet, want dan hou je het niet lang vol. Het is een apart wereldje op zo’n kotter en daar moet je wel tegen kunnen. Kijk, Jaap vaart hier sinds 1981. En ik ben getrouwd in 1978. Ik denk dat ik Jaap vaker heb gezien dan mijn eigen vrouw. Je komt mekaar constant tegen, zit constant op mekaars lip. Als iemand een fout maakt, dan wordt er wat van gezegd. Klootzak, stommeling. Dan kan het best even roken. Maar je moet niet kwaad blijven, want dan zit je mekaar in de weg.’

Bij de geboorte van zijn twee kinderen was hij wel. Maar ze toen ze hun eerste woordjes zeiden en hun eerste stappen zetten, zat hij op zee. Het was geen reden om een baantje aan de wal te zoeken. ‘Het gaat er niet om hoe vaak je ze ziet, maar wat je met ze doet. Sommige mannen zijn alle dagen thuis en bemoeien zich toch niet met hun kinderen. Daar hebben ze geen tijd voor, menen ze. Toen de jongens klein waren, vond ik het prachtig om een ijsie met ze te eten of even te vliegeren op het landje. Daar kon ik van genieten. Nu praat je met ze over hun toekomst. Je moet niet vergeten, mijn vader was ook altijd weg, je wist niet beter. Thuis regelt mijn vrouw alles, een groot deel van de beslissingen neemt ze alleen. Ik weet dat ze het vroeger vooral moeilijk vond als één van de kinderen ziek was, dat je niet even kon overleggen. Maar ook zij was het snel gewend. Al in de verkeringstijd. Andere stelletjes zochten elkaar door de week op om koffie te drinken, naar de bioscoop te gaan. Wij hadden alleen het weekend.’

De rest van de eerste dag verloopt heel aardig. Het eten (patat, sla en een schnitzel) smaakt me best. En na nog een paar lessen van Peter (‘voor zeveneneenhalve euro’) worden de tongen en schollen steeds gemakkelijker van hun ingewanden ontdaan. Het is wel even wennen dat sommige nog springlevend ogen. Terwijl ik het mes in een spartelende vis zet, houd ik mezelf voor dat hij altijd nog beter af is dan een beest uit de bio-industrie. Maar het wordt er niet eenvoudiger op als zo’n leeggestripte vis zelfs in de mand nog blijft bewegen. Pas als ik de volgende er bovenop gooi, blijft hij stil liggen. Even na middernacht besluit ik ook even mijn kooi op te zoeken. Voor een uurtje, houd ik mezelf voor, maar ondanks de ongewone geluiden van een ronkende motor en het geklots van de golven val ik in een diepe slaap. De schel klinkende bel, die aankondigt dat de netten weer omhoog gaan, hoor ik niet. En omdat ik in de luxe verkeer dat ik een hut voor me zelf heb, word ik niet gestoord door anderen. Ik word pas wakker wanneer Nils om kwart over zeven roept dat het ontbijt op tafel staat. Grijnzende koppen verwelkomen me. ‘Waar was je nou vannacht?’, vraagt Sander spottend. Peter knikt me toe: ‘Je hebt gelijk hoor. Ik had ook graag blijven slapen. Nou ja, volgende week. Dan heb ik vrij.’ Als Marco wordt afgelost in de stuurhut en aan tafel schuift, informeert hij: ‘Nou, nog nieuws? Wíj hebben vannacht niet veel beleefd. Denk je: nemen we een krantenman mee, hebben we het nieuws steeds vers van de pers. Maar nee hoor, dat valt tegen.’

Zijn kinderen hebben er niet onder geleden dat hun vader zo weinig thuis was, denkt Marco. ‘Toen Erik tien was, ging hij voor het eerst een week mee. Het was helemaal niet van dat rustige weer, maar hij wou per se. Afijn, hij was twee dagen zeeziek. Alles wat hij at, kwam er meteen weer uit. Pas op woensdag werd het wat beter. Maar toen we vrijdag thuis kwamen en zijn moeder vroeg hoe het was geweest, zei hij meteen: prima, volgende vakantie ga ik weer mee. Hij zit nu op de visserijschool. Frank, mijn andere zoon, weet het nog niet zeker. Hij wil wel varen, maar automonteur lijkt hem ook wel wat. Ik heb gezegd dat hij maar machinist moet worden. Kan hij sleutelen én varen. En is hij verzekerd van een baan.’

Hoewel het volgens de anderen nog steeds prachtig weer is, waait het dinsdag beduidend harder dan de dag ervoor. Er staat meer deining en dat is goed te merken onder de bak, zeker wanneer het schip tegen de wind in vaart. Terwijl de anderen onverstoorbaar doorwerken, moet ik goed m’n best doen om me alleen al staande te houden. De golven en de weeë geur van de ingewanden slaan op m’n maag en iets eerder dan de anderen zoek ik de kombuis op, waar Nils net het middageten (aardappels, prei en een stuk vlees) op tafel zet. Ik moet me vermannen, maar ik schuif toch maar aan. Blijven eten, dat is de beste remedie tegen zeeziekte, heeft mijn vader me verzekerd. En hij kan het weten, want met het NIOZ heeft hij alle wereldzeeën bevaren. Maar echt lekker voel ik me niet en ik besluit m’n kooi op te zoeken. Dat helpt. De misselijkheid zakt en snel val ik in slaap. Pas om vijf uur word ik wakker, weer aardig opgefrist. Er zijn geen spottende blikken ditmaal. De meesten kennen het gevoel van zeeziekte maar al te goed. ‘Aan de buitenste boei van het Molengat hangt een bord. Er staat: hier temt men leeuwen en beren. Zelfs de grootste kerel met de grootste bek wordt heel klein als de golven hem op de proef stellen’, vertelt Marco.

Met het strakke ritme lijkt de bemanning geen moeite te hebben. Gewekt door de bel, om voor de zoveelste keer die week de netten te legen, wordt er wel eens gegaapt en in de ogen gewreven. Maar een paar minuten later gaat iedereen, al dan niet op de been gehouden door een zwaar sjekkie, zonder klagen aan het werk. Ook Marco, die als schipper nauwelijks uit de stuurhut komt, heeft genoeg aan de hazenslaapjes. ‘Een weekje voor de werf, om te schilderen, dat is een ramp’, spot hij. ‘Niet effe een uurtje liggen na het middageten, gewoon de hele dag door. Man, dat zijn tropenweken.’ Wel is het zo dat hij na een week op zee weinig fut meer heeft. ‘Op zaterdag doe je niet veel. De krant lezen, straks effe om een paar boodschappen. Nou, laten we eerst nog maar een bakkie doen. Dat werk.’

Toch zijn in er het verleden nogal wat ongelukken met kotters gebeurd doordat de (stuur)man op de brug in slaap viel. Om de veiligheid te vergroten, is er op elk schip een wachtalarm. Op de TX5 klinkt er om de zeven minuten een piepend signaal. ‘Je bent verplicht om dat systeem aan boord te hebben. Maar je moet zelf weten of je het gebruikt en hoe lang de tussenpoze tussen twee signalen is. De man op de brug zet ‘m uit. Gebeurt dat niet, omdat hij niet wakker wordt, dan klinkt er een alarm bij de schipper in de hut. Wordt ook daar niet op gereageerd, dan gaat er een bel die op het hele schip te horen is.’ Wachtlopen gebeurde vroeger met twee bemanningsleden. Tegenwoordig is het aantal apparaten op de brug zo groot, dat het werk veel eenvoudiger is. Zo laat een beeldscherm dat op de radar is aangesloten alles zien dat in de omgeving boven water uitsteekt. Een ander scherm, de elektronische zeekaart, geeft de wrakken en ondieptes, dus alles onder water, aan. Daarnaast vaart elke kotter met een automatisch besturingssysteem. Eenmaal de richting uitgezet, hoeft het roer niet meer met de hand te worden bediend. ‘Dat is wel even wat anders dan vroeger. Mijn vader stond echt nog te sturen.’

Als ik dinsdagavond een kijkje neem in de stuurhut, heeft de schipper net over de radio contact met collega Marco Drijver van de TX29. Drijver en de zijnen vissen een mijl of twintig zuidelijker dan de TX5 en hebben evenmin veel reden tot juichen. De vangst valt tegen, zeker gezien de hoge verwachtingen. ‘De ene week is de andere niet’, concluderen ze samen. Dat in de buurt ook nog diverse Urker kotters hun geluk zoeken, houdt de moed er bij beiden in. ‘We houden ze maar een beetje in de gaten. Zij zijn hier bekender dan wij.’

Bang om te vergaan is Marco nooit geweest. ‘Bij slecht weer moet je je verstand gebruiken. Je gaat met z’n zessen varen en je wilt ook met z’n zessen weer binnenkomen.’ Sander: ‘Op dek houden we elkaar steeds goed in de gaten. Loopt iemand bijvoorbeeld vanonder de bak richting de kombuis, dan volgen de anderen hem net zolang tot hij er binnenstapt. Dat doe je automatisch.’ Marco: ‘Je kunt niet spotten met de zee. Eén rare golf en je ligt zomaar overboord. En iedereen weet: buiten het schip is er niks, dan is het met je afgelopen.’
‘Als het echt te gek wordt, laten we de netten tot tien meter onder water zakken. De netten vullen zich en fungeren als drijfankers, zeg maar als parachutes. Die maken het mogelijk heel langzaam tegen de wind in te varen. Je ligt dan bijna stil, waardoor je eigenlijk weinig last hebt. Kapseizen kan eigenlijk niet. Dat zou alleen kunnen gebeuren als één van de netten blijft haken en het schip naar één kant wordt getrokken. Maar het materiaal is zwakker dan de boot. Door het sterke vermogen van de motor, breekt de tuigage af. Je hebt dan wel veel schade, maar je gaat niet om.’

Woensdagochtend. Aan het ontbijt inspecteert Peter de bijsluiter van een doosje paracetamol 500+. Hij is maandagmiddag door zijn rug gegaan. Hoewel het aanvankelijk niet zo erg leek, is de pijn steeds erger geworden. De afgelopen nacht heeft de schipper via het Kustwachtcentrum contact gezocht met een huisarts. Die kan op afstand uiteraard niet veel doen, maar kent wel de inhoud van de medicijnkist die iedere kotter aan boord heeft en die jaarlijks door een huisarts wordt geïnspecteerd en aangevuld. Af en toe een paracetamol en een warme douche moeten Peter op de been kunnen houden, meende de arts. ‘En geen onverwachte bewegingen, hé. Maar die zul je na zoveel jaar huwelijk wel niet meer maken. Dus maak je geen zorgen’, grijnst Marco tegen de moeilijk kijkende Peter.

Met de Algemene Inspectie Dienst, kortweg AID, hebben vissers een moeizame verhouding. Dat er regels nodig zijn, daar zijn de meesten wel van overtuigd. Maar de houding van sommige inspecteurs leidt nogal eens tot ergernis, zeker wanneer de controles zich vlak na elkaar voordoen. Met onbegrip in zijn stem vertelt Ellen over zijn ervaringen van enkele weken geleden, toen de TX5 al vroeg in de week aan een controle werd onderworpen. De inspecteurs vonden niets onrechtmatig, maar toonden wel bijzondere aandacht voor een half gevulde kist met te kleine tong. ‘Volgens de wet mag je helemaal geen ondermaatse vis aan boord hebben. Geen emmer. Maar daar moet je bij een visser niet mee aankomen. Een braadje voor thuis, niet voor de verkoop, dat hoort er nu eenmaal bij. Nederlandse controleurs weten dat en tonen daar begrip voor. Duitse en Engelse niet. Als je in hun gebied wordt betrapt, dan is het mis en krijg je zo een boete van vijftigduizend euro. Maar goed, die AID’ers zeiden tegen mij: je hebt wel veel, hé. Maar niet te veel en dat zei ik ook. Wat denk je? Aan het eind van de week kwamen ze weer aan boord, om te kijken of we niet méér dan een kist hadden gevangen.’ Het was iets meer, maar tot meer dan een vermanend woord leidde die overtreding niet. Een week later kreeg de TX5 voor de derde keer met controleurs te maken. Ditmaal omdat het volgsysteem het niet goed deed. Met dit systeem, dat werkt via een satelliet, kan de positie van iedere kotter vanuit het kantoor van de AID in Kerkrade worden vastgesteld, waardoor overtreders wel heel eenvoudig kunnen worden opgespoord. Ellen beloofde ernaar te zullen kijken, maar nog voor de week om was, ontwaarde hij voor de vierde maal een controleboot. Grommend: ‘Toen heb ik wel even een paar dikke vloeken gelaten. Wij proberen ons werk te doen, zij denken alleen maar dat je probeert de wet te ontduiken. Ze denken op voorhand al dat je slecht bent. Het ergste van alles vond ik nog wel dat ze om vier uur ’s nachts kwamen. Overdag slapen gaat altijd al zo moeilijk, lig je ’s nachts tussen twee trekkies net even rustig, komen er van die idioten aan boord. Wat zou jij ervan zeggen als ze ’s nachts om half vier bij je aanbelden om te vragen of je je belastingsformulieren wel hebt ingevuld? Wat bleek: ze kwamen controleren of het volgsysteem wel echt stuk was en of ik het niet had uitgezet. Terwijl ze het nota bene in Kerkrade kunnen zien als ik het apparaat uitschakel. Ik heb me vreselijk moet inhouden. Want je kunt ze wel helemaal stijf schelden, maar dan heb je ze volgende week wéér aan boord.’

Woensdagavond om acht uur, vlak vóór het bovenhalen van de netten, ziet Sander plotseling een duif op het dek zitten. Het dier is duidelijk erg vermoeid, want het reageert nauwelijks wanneer Jaap dichterbij sluipt. Met één snelle beweging slaagt hij erin het te pakken. De duif heeft een kokertje om een poot en uit het briefje dat erin zit blijkt dat-ie om 10.35 uur in België is gelost en op weg is naar Engeland. Hij is een eind uit de richting, want nog steeds op zoek naar de beste visgronden vaart de TX5 inmiddels in de buurt van Denemarken. ‘Die postduiven zijn soms helemaal hun oriëntatie kwijt. Vorige week hadden we er zelfs zes tegelijk aan boord. We hebben ze opgevangen en terug op Texel weer netjes losgelaten. Van één eigenaar kregen we bericht dat-ie was aangekomen. We werden erg bedankt omdat we het beest zo goed hadden verzorgd.’

Sander heeft veel zien veranderen in de loop der jaren. Toen hij als vijftienjarig broekie begon, ging de hele Nederlandse vloot in de zomer op de haringvangst. Groot was de export van de Hollandse maatjes naar landen als Tsjecho-Slowakije en Oost-Duitsland. Maar nadat de haringvisserij enkele jaren lang aan banden had gelegen, was de vraag verdwenen. Het aantal Nederlandse haringvissers is nog op de vingers van een paar handen te tellen. ‘Het waren hele andere tijden’, vertelt Sander. ‘Toen ging je nog wel eens op donderdag naar de markt. En daarna ging je weer naar zee. Tot zaterdag, bijvoorbeeld. Het was veel vrijer. Nu is de druk veel groter, de investeringen zijn enorm. Het is niet voor niets dat Marco na elke trek uit het raam hangt om te vragen wat we hebben gevangen.’ Ook voor hemzelf zijn de tijden veranderd. ‘Vroeger had je het als machinist zo druk dat je niet met strippen hielp. Daar had je gewoon geen tijd voor, je zat voortdurend beneden. Met die nieuwe machines is het wat dat betreft veel gemakkelijker. Ik ga nu, ruwweg, om de twee trekkies naar de machinekamer om te kijken of alles goed gaat.’

Met Peter en zijn pijnlijke rug gaat het woensdagavond nog steeds niet erg goed. Hij beweegt zich stram en stijf over het dek. En in de kombuis zit hij stilletjes in zijn hoek. De anderen, die hem kennen als iemand die altijd wel in is voor een grap, proberen hem vergeefs op te monteren. ‘Die pillen nemen de pijn wel even weg. Maar het euvel blijft’, bromt hij. Vlak na het voor de zoveelste keer legen van de netten staat hij plotseling naast me en zegt hij met een vertrokken gezicht: lekker je lichaam slopen en dat voor een paar rotcenten.’

Bij ieder van de bemanningsleden van de TX5 lijkt het varen wel in het bloed te zitten. De in Amsterdam geboren Jaap (zijn vader is een volle neef van schrijver Jan) voer als jongeman de hele wereld over op de wilde vaart. Daar kwam na acht jaar plotseling een einde aan. Uit baldadigheid en een zucht naar avontuur had hij waardevolle spullen gestolen (gejut, zegt hij zelf) uit afgeschreven schepen die voor de kust van Nigeria voor anker lagen. Op het vliegveld werden twee maten gesnapt door de douane. Jaap ontsprong de dans, met een duur kompas en een paar koperen lampen in zijn bagage. ‘Achteraf viel het voor die jongens erg mee, maar ik besloot toch maar even m’n snor te drukken. Voor een soort vakantie belandde ik op Texel. Ik kreeg levenslang, want ik zit hier nu nog.’ Met een onderbreking van anderhalf jaar vaart hij sinds 1981 voor de firma Ellen. ‘Vijf jaar geleden dacht ik even dat ik met een baantje aan de wal gelukkiger zou zijn. Ik heb een tijd als schoonmaker bij de Sluftervallei gewerkt, we zijn zelfs naar de overkant verhuisd. Naar de Veluwe, moet je nagaan, daar is de zee wel erg ver weg. Toen vroeg Marco of ik een paar weken als invaller bij hem aan de slag wilde. Daarna ben ik maar gebleven.’

Het strippen gaat me na drie dagen behoorlijk goed af. Tamelijk geroutineerd, bijna zwierig, ontdoe ik de tongen en schollen van hun ingewanden. Omdat ik er niet meer al m’n concentratie voor nodig heb, lukt het ook beter om onder het werk een praatje te maken. Met Peter praat ik over voetballen. Hij heeft jaren bij SV Texel en later bij SV De Koog gespeeld. In het begin van de jaren zeventig voetbalde hij een paar seizoenen in Texel 1, samen met onder anderen Aad Vaars, Gert Pansier, Klaas-Dirk Koorn, Charles Ipenburg en Jan van Bennekom. Hij vertelt er enthousiast over. In de toestand van zijn rug zit eindelijk verbetering. Hij neemt nu af en toe Ibuprofen, een wat zwaardere pijnstiller, waardoor hij zich ook wat minder behoedzaam hoeft voort te bewegen. Volgens zijn collega’s krijgt Peter ‘weer praatjes’. Hij beantwoordt het commentaar door onaangekondigd een glibberige vis in hun richting te gooien.

Een aparte rol op de TX5 speelt de in Duitsland opgegroeide Nils Seifert (38), die van oorsprong huisschilder is. Nadat hij tien jaar geleden samen met zijn (Texelse) moeder op haar geboorte-eiland was gaan wonen, werkte hij een tijd lang in de kustverdediging bij Daalder. Toen Rijkswaterstaat moest bezuinigen en de Alkmaarse aannemer minder opdrachten op Texel kreeg, zocht Nils noodgedwongen zijn heil weer in zijn oude vak. Maar toen hij vier jaar geleden de tip kreeg dat ze op de TX5 voor drie weken ‘een mannetje nodig hadden’ was hij direct in voor een nieuw avontuur. ‘Eens kijken wat het is. Het beviel en ik kon blijven. Dus dat heb ik gedaan.’ Aan boord is hij niet alleen de man die met achteloos gemak veertig kilo zware kisten met vis tot zes hoog opstapelt, hij zorgt ook voor het eten. Tussen het gewone werk door, want dat moet altijd doorgaan. ‘Je weet hoeveel tijd je nodig hebt. Als we onder de bak zijn, ga ik wel eens iets eerder weg.’ Hij werd kok omdat die taak eigenlijk altijd is weggelegd voor het jongste bemanningslid, niet omdat hij al veel ervaring had. ‘Ik kookte eerder voor mezelf, voor een groter gezelschap had ik dat nog nooit gedaan. Gewoon een kwestie van wat méér nemen. Ik maak gewone kost, geen hoogstandjes, want dat kan ik niet. Daar heb ik de mogelijkheden ook niet voor. Ik heb alleen een fornuis, geen oven.’ Op donderdag staat er standaard bami op het menu. Met grote brokken varkenshaas erin. ‘Als ik dat vertel kijken mensen me altijd raar aan. Zulk duur vlees? Maar het kost ons bijna niks. Vlees, shag en koffie koop ik belastingvrij in bij een speciale winkel in Den Helder.’ De rest van de boodschappen doet hij in Oudeschild. ‘Vrijdag bedenk ik wat we de week erop eten. Dat bestel ik bij de Spar van Kalverboer. Een uur later komt hij het brengen. En wat ik vergeet, dat is er de hele week niet. Zo makkelijk is het.’

Na drie dagen van magere vangsten is donderdag aan het begin van de avond de opluchting van de gezichten af te lezen. Marco is met de schipper van de ook in de buurt vissende NG1 - eigendom van een onder Duitse vlag varend Urker familiebedrijf - overeengekomen per fax de vangstgegevens uit te wisselen. En wat blijkt? De Texelaars hebben het ongeveer even goed gedaan. Ietsje minder schol, maar meer tong. ‘Dat valt mee’, glimt Marco. ‘Die Urkers liggen in het weekend bijna allemaal in Eemshaven. Zij zitten in een paar uur in dit gebied, waardoor ze hier een stuk langer kunnen vissen dan wij. Dat scheelt wel een trek of tien per reis. Onze vangst wordt er natuurlijker niet groter door, maar het is voor vissers net zo belangrijk te weten dat je het ten opzichte van je collega’s goed doet. Je let op elkaar, bent altijd aan het vergelijken. Kun je mee? Heb je naar je mogelijkheden gevist in het gebied waar je zit? Het kan ook betekenen dat de prijs meevalt, als iedereen slecht heeft gevangen.’

De Texelse vissers varen allemaal ‘onder maatschap’. Dat wil zeggen dat ze niet in loondienst zijn, maar meedelen in de winst. Na aftrek van de kosten van de reis gaat 42 procent van de opbrengst naar de bemanning en 58 procent naar de eigenaar. Vaart de eigenaar zelf mee, wat op de TX5 dus het geval is, dan deelt hij mee in het deel voor de bemanning. Hoewel kottervissers de naam hebben dat ze geld als water verdienen, valt de werkelijkheid behoorlijk tegen. ‘Vroeger werd er erg goed verdiend, zonder meer’, vertelt Ellen. ‘Nu is het nog niet slecht, maar het is een stuk minder geworden. Dat komt vooral door de hoge prijs van de gasolie. Die is ongeveer twintig eurocent per liter. Vroeger was dat maar twintig guldencent. Per reis zijn we gemiddeld 7400 euro aan gasolie kwijt. Daar komen dan nog de kosten voor smeerolie, de afslag, het eten en nog wat kleinere posten bovenop. Gemiddeld verdient een bemanningslid zo’n honderdduizend gulden per jaar. Bruto. Daar moeten de belastingen en verzekeringen nog vanaf. De visserij is daardoor een stuk minder aantrekkelijk geworden voor veel mensen. Nu hebben we een vaste ploeg, maar tot een paar jaar geleden hebben we behoorlijk wat moeite moeten doen om genoeg bemanningsleden te krijgen. Veel jongeren kiezen voor een baan de wal. Ik kan ze geen ongelijk geven. Aan de andere kant: waar heb je tegenwoordig nog zekerheid, waar zit toekomst in? Ik ben ervan overtuigd dat de visserij altijd zal blijven bestaan. Maar het is een apart beroep en je moet er idee in hebben.’

De avond is nog maar net begonnen als de voorbereidingen voor de terugtocht worden getroffen. Marco wil vrijdagochtend om acht uur in Oudeschild zijn. Twee monteurs komen onderhoudswerkzaamheden in de machinekamer uitvoeren en zij nemen de (Teso-)boot van half acht uit Den Helder. Dat betekent dat de TX5 zich om ongeveer zes uur bij de visafslag in Den Helder moet melden. Aangezien het ongeveer acht uur varen is, moeten we uiterlijk halverwege de avond terug. Na de bami gaan we met z’n vieren naar buiten om het schip van voor tot achter in te soppen en schoon te spuiten. Nils blijft binnen om de kombuis, de keuken en de gangen te reinigen. Vooral de ruimte waar de vis wordt verwerkt, krijgt veel aandacht. Immers: elk plasje bloed dat achter blijft, gaat na een paar dagen onherroepelijk stinken. En dat is niet alleen onhygiënisch, maar ook onplezierig om volgende week weer in te werken. Natuurlijk laat ik me niet kennen, maar de wind trekt aan tot kracht zeven en hoewel ik er niet meer ziek door word, bezorgen die hoge golven veel overlast. Ik probeer mijn werk met twee handen te doen, maar voortdurend moet ik naar houvast zoeken, om te voorkomen dat ik onderuit ga. Ik ben blij als het werk erop zit en Nils de koffie klaar heeft. Gelukkig kan ik het gereedmaken van de tuigage voor de terugreis vanuit de veilige geborgenheid van de stuurhut bekijken. Ik mis toch de kennis en handigheid om me verdienstelijk te maken.

De aan Nils gestelde vraag wat er zo leuk is aan op een kotter varen, zorgt voor enige hilariteit. ‘Ja, vertel dat nou eens’, grijnst Jaap, terwijl hij onderuit op de bank zakt. ‘Je hebt of prut. Of stenen. Of schelpen.’ ‘Of water in je nek, dat is leuk hoor’, valt Sander hem bij. Na een tijdje nagedacht te hebben zegt Nils: ‘Je komt elke week met een braadje thuis.’ Ditmaal vindt hij in Jaap een overtuigd medestander: ‘Het klinkt misschien gek, maar dat vind ik inderdaad één van de leukste dingen. Dat je ook eens iets kunt weggeven.’ Sander onderbreekt: ‘Dat vind ik ook leuk. Maar kun jij niet genieten als je op de brug zit? Vooral ’s nachts. Hier zie je een lichtje, daar vliegt een vogel. Dat vind ik prachtig, geeft een gevoel van vrijheid.’ De anderen knikken. Dat die vrijheid maar zeer relatief is, dat ze van maandag tot vrijdag het schip niet afkunnen en dat een schelle scheepsbel hen na ieder uur en driekwartier oproept aan het werk te gaan, doet daar maar weinig aan af, vinden ze. Jaap: ‘Dat vrijheidsgevoel hou je. Ondanks alle beperkingen. Het geld komt op de tweede plaats. Als ik thuiskom, vraagt mijn vrouw ook nooit meteen: wat heb je gemaakt? Dat komt later wel. Als ik het een beetje leuk heb, vind ik het prima.’

Als al het werk erop zit, zoeken de bemanningsleden fris gewassen hun kooi op. Afgezien van een eventuele wacht kan iedereen een rustige nacht tegemoet zien, zonder de onderbreking om naar dek te moeten. Ik wil me ook nog even douchen, maar dat wordt me afgeraden. ‘Wij weten precies hoe het schip zich gedraagt op de golven. Maar jij bent het niet gewend. Met dit weer kun je raar vallen’, zegt Sander. Wie ben ik om zijn raad in de wind te slaan? Ik zoek mijn kooi op en probeer wat te slapen. Maar dat valt helemaal niet mee. Het schip koerst tegen de aantrekkende zuidwester in. Het is een rare ervaring, steeds vermoeider te worden maar toch de slaap niet te kunnen vatten, omdat je nu eens los lijkt te komen, terwijl je dan weer in je matras wordt gedrukt. Ik leg mijn hoofd op het voeteneind, maar het helpt niets en op mijn horloge zie ik het drie uur worden. Toch moet ik in slaap zijn gevallen, want als Nils me om zes uur roept, is het eerste dat ik denk: wat ligt het schip stil. Dat blijkt te kloppen, want we liggen voor de afslag. Na een snelle douche help ik Nils en Jaap met lossen. We slepen de kisten naar een plek in het ruim recht onder het luik, waarna Marco de vis er uit takelt. Als we klaar zijn, vraagt Marco of ik nog zin heb in een snelle rondleiding over de afslag. ‘Rustig aan, blijf eerst maar even staan’, adviseert hij als ik aan wal stap. De kade golft onder mijn voeten en het lijkt wel of ik stomdronken ben. Later zal blijken dat ik dat gevoel pas na twee dagen weer een beetje kwijt ben. Flink slingerend en met onzekere stappen maak ik met Marco een rondje over de afslag, waar de vis door tientallen medewerkers - met de hand - op maat wordt gesorteerd en geïnteresseerde handelaren rondneuzen en aantekeningen maken, alvast inschattend op welke partijen ze later in de ochtend zullen bieden. Terug op de kotter maak ik kennis met Jan Ellen, die met broer Aris naar Den Helder is gekomen om te kijken hoe hun collega’s het er deze week hebben afgebracht. Op weg naar Oudeschild, waar we om klokslag acht uur aanmeren, vertelt Aris me nog eens hoe het hem is vergaan sinds hij is afgekeurd voor de visserij. Dat hij netten boet en op de taxi rijdt voor Grootjen. Op de vraag of het hem bevalt, antwoordt hij zonder nadenken: ‘Nee, echt bevallen doet het niet. Veel liever zou ik nog varen.’

Bron: Texelse Courant 2 september 2003, Joop Rommets

 © 2002-2010 Wolkers' fragmenten. Alle rechten voorbehouden.