Wolkers' fragmenten





Interviews
InterviewsNaar boven
Door de jaren heen heeft Jan Wolkers veel interviews gegeven. Interviews waarin hij niet alleen over zijn literaire en beeldende werk vertelt, maar ook interviews over zijn gezinsleven, zijn ouders, Karina, zijn vier zonen Eric, Jeroen Bob en Tom. Naast de liefde voor de natuur komen leven en dood regelmatig in de gesprekken ter sprake. Vaak ook om zijn bijzondere uitspraken, zijn de interviews prettig om te lezen. Juist omdat Jan daarin vaak zichzelf is. In veel van zijn interviews komen we zijn karakteristieke woordje ‘hè’ tegen. Zijn manier van uitspreken is bekend.
Het allereerste interview met Jan stond in de Leidse editie van Het Vrije Volk, dat op 19 januari 1950 werd gepubliceerd. Dit interview eindigt met een gedicht van Jan Wolkers, dat formeel als zijn literaire debuut kan worden beschouwd.

Opvallend bij de interviews is dat een en hetzelfde interview soms in verschillende kranten wordt gepubliceerd. In het ene geval zijn hier en daar zinnen verdwenen, omdat de ruimte in de betreffende krant of tijdschrift het niet toeliet. Een andere keer zijn de kop en tussenkoppen veranderd of zijn alleen de ‘vloeken’ van Jan geschrapt. Een mooi voorbeeld van dat laatste is het woord ‘(god)verdomme’ dat in het ene dagblad zonder probleem wordt gepubliceerd, terwijl dat in een andere krant nadrukkelijk achterwege is gelaten.

Regelmatig zal op deze pagina een ander interview met Jan Wolkers te lezen zijn.

Gesprek met Jan WolkersNaar boven
Is er één schrijver over wie de meningen meer verdeeld zijn en over wie méér geruchten de ronde doen? Hooggeroemd en fel verguisd. Tot op de kansels worden pro’s en contra’s over hem uitgesproken. In weinig jaren (6) met weinig boeken (6) beroemd en berucht geworden, tot vèr buiten de grenzen van de literaire wereld. Elk boek van hem wordt een bestseller en elk boek wordt met predikaten bedeeld die variëren van 'magistrale literatuur' tot 'pornografische smeerlapperij'.
Wie is Jan Wolkers? Wie is de kunstenaar Jan Wolkers? En vooral: Wie is de mèns Jan Wolkers?
In onderstaand artikel probeert Henk Stoepker zo eerlijk en zo objectief mogelijk deze vragen te beantwoorden door een verslag te geven van het gesprek dat hij en Jaap Walg hadden met Jan Wolkers.

‘Kunst is het maken van dode dingen, dat is natuurlijk maar een grapje, maar ik bedoel maar zo…’, zegt hij lachend, terwijl hij snel de trap naar zijn atelier afloopt om koffie te halen. We zitten op een soort van balkon dat hij in zijn atelier heeft laten inbouwen. Dit balkon is zijn zit-, slaap- en studeerkamer. Hier staat zijn boekenkast met de vele plaatwerken o.a. over Renoir en Rembrandt, twee schilders die hij erg bewondert. Hier staat zijn pick-up met de grote verzameling jazz-platen, zijn lievelingsmuziek. Hier bevindt zich zijn grote liefde: zijn glas- en aardewerkverzameling. En hier staat ook zijn schrijfmachine. Op een klein bureau, geplaatst tegen de eenvoudige ijzeren balustrade van het balkon, zodat hij ’s avonds als hij zijn vingers en de toetsen van zijn machine een moment rust geeft, uitkijkt over de beeldhouwwerken in zijn atelier. Want Jan Wolkers is ook beeldhouwer. En deze zin is eigenlijk fout geformuleerd. Want Jan Wolkers is niet: óók beeldhouwer, maar is éigenlijk beeldhouwer. Hij is daarvoor ook opgeleid. In 1943, zestien jaar oud, ging hij naar de Leidsche Academie voor Beeldende Kunsten. Daarna, van 1945 tot 1948, werkte hij aan de Academie in Den Haag en tot 1954 bezocht hij de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam. Daarna studeerde hij nog te Salzburg en in Parijs bij Zadkine.

Hij komt terug met de koffie.
‘Willen jullie er soms een scheutje cognac in?’ vraagt hij. Wanneer hij zichzelf niet inschenkt, vragen we eerlijk gezegd een beetje verbaasd, of hij geen sterke drank gebruikt. Hij schiet in een lach: ‘Zelden’, zegt hij, ‘en zeker niet als ik nog werken moet.’
Een poosje later doet zich een zelfde geval voor. Hij biedt ons een sigaret aan en weer neemt hij zelf niet. Op onze vraag daarover verklaart hij: ‘Nee, ik rook alleen pijp, geen sigaretten en ook geen marihuana, zoals sommige mensen denken.’
Boven mijn hoofd hangt een schilderij, gesigneerd: Jan Wolkers, 1963. Hij volgt mijn blik en zegt: ‘Ja, ik schilder ook, zij het niet veel. Ik zal jullie wat werk laten zien.’
In zijn atelier gekomen, opent hij een kast en haalt er een paar doeken uit. Het meest treft ons een (non-figuratief) schilderij, Maanlicht zonder Piano. ‘Ik bedoel met die naam’, zegt hij, ‘onromantische romantiek; maanlicht, maar zonder piano, zonder Beethoven.’
We kijken nog even rond in het atelier. Er staat o.a. een beeld van een vrouw met kat. Het doet volkomen klassiek aan en is ook gemaakt volgens de klassieke maten. Hij wijst er op: ‘Ongeveer zeven jaar geleden gemaakt.’ Zeer contrasterend met dat beeld is zijn werk van de laatste jaren. Dat bestaat bijna geheel uit non-figuratieve metaalplastieken.

Als we weer boven zitten vragen we hem: ‘Wat voelt u zich nu meer, beeldhouwer of auteur?
‘Dat kan ik niet zeggen. Overdag werk ik in mijn atelier en ’s avonds schrijf ik.

Heeft u dan genoeg inspiratie om elke avond op elk moment te schrijven?
‘O nee, soms gaat het niet, dan ga ik maar platen draaien of werken in m’n atelier, tot de inspiratie komt. Dan vlieg ik met de rouwrandjes van het beeldhouwen nog om mijn nagels op de schrijfmachine af.’

U bent op uw dertigste begonnen met schrijven. Heeft het u nog erg veel moeite gekost om te publiceren?
‘Nee, dat ging erg gemakkelijk. Ik heb gewoon een keer een verhaal naar Podium gestuurd. Dat werd geplaatst en nogal gunstig ontvangen. Toen ging de rest vanzelf.’

Schrijft u poëzie?
‘Niet meer. Toen ik nog jong was, heb ik wel gedichten geschreven.’

Leest u veel poëzie?
‘Vrij veel.’

Welke nog levende dichters vindt u het beste?
‘Lucebert, Kouwenaar.’

Wat vindt u van uw collega’s?
‘Sorry, mag ik een antwoord voor me houden? Ik lever in interviews liever geen commentaar op nog in leven zijnde hollandse schrijvers. Maar van de niet meer levenden vind ik Slauerhoff het best, het echtst. En van de buitenlanders Edgar Allan Poe. Sartre vind ik als schrijver erg goed. Als filosoof minder. Maar Poe vind ik het allerbeste. Hem heb ik ook geciteerd in een korte rede bij de opening van een tentoonstelling van wat beeldhouwwerk.’

Hij geeft ons een kopie van de rede. We vinden er ook de zin in die hij zojuist uitsprak: Kunst is het maken van dode dingen.
‘Ik bedoelde dat maar als een grapje toen, maar het slaat wel op de steeds terugkerende themata in mijn werk.’

Jan Wolkers zegt geen cynicus of nihilist te zijn.
‘Mijn boeken zijn wel somber, maar niet nihilistisch. Het bestaan is vrij hopeloos, maar je moet er zelf iets van maken.’

Evenmin is hij een anarchist.
‘Ieder mens moet leven zoals hij gelukkig is en naar zijn eigen behoefte. Het is fout te trachten de mensen te veranderen. Je kunt ze alleen helpen door de waarheid te zeggen en de maatschappij is nodig als zodanig, maar zij is wel tragisch.’
Tragisch. Steeds keert dat woord terug. Hij ziet het leven als tragisch. Niet zinloos, maar tragisch. Tragisch vindt hij de eenzaamheid der mensen: ‘Als ik naar de stad ga, kom ik altijd gedesillusioneerd terug. Het zien van de menselijke eenzaamheid is verschrikkelijk.’

Jan Wolkers wil wel geloven in een hiernamaals, maar hij kan het niet. Hij zoekt God, maar hij vindt hem niet. Misschien komt dit door zijn al te calvinistische ouders. Deze drukten als het ware een “anti-stempel” op hem. Na zijn 17e heeft hij zich van het calvinisme losgemaakt, maar dat wil niet zeggen dat hij het vijandig gezind is. Het is hem te eng. Hij vindt het geen goede voedingsbodem voor de kunst. Jan Wolkers wil vrij zijn.
Door dit niet kunnen geloven in een hiernamaals, komt in zijn werk het “doodangst-thema” voor. Dood, angst, verrotting. ‘De mens wil eeuwig zijn’, zegt hij, ‘maar hij is het niet. Dat is weer het tragische in het menselijk bestaan. De vergankelijkheid.’

U wordt zo vaak voor pornograaf uitgescholden. Wat heeft u hierop te zeggen? En is het seksueel gebeuren in uw boeken onmisbaar?
‘Als ik een pornograaf zou zijn, zou ik òf moeten schrijven ter wille van het geld, òf uit een soort puberale drang de mensen te choqueren. En deze beide dingen doe ik pertinent niet. Als de mensen gechoqueerd zijn is het uit frustratie of omdat ze de waarheid, de tragische menselijke waarheid, niet kunnen verdragen. De seksualiteit is een essentieel deel van het menselijk bestaan. Het seksuele element in mijn werk is onontbeerlijk; bovendien gaat het mij niet om het erotische maar om mijn hoofdthema, de menselijke vergankelijkheid, de eenzaamheid, ook hier, juist hier, tot felle realiteit te brengen en de mens het tragische van zijn bestaan duidelijk te maken.’

Zijn uw boeken, tot op zekere hoogte natuurlijk, autobiografisch?
‘Niet direct autobiografisch, maar ik heb natuurlijk wel mijn levenservaringen in mijn boeken verwerkt. Maar dat doet toch iedere schrijver?’
‘Een schrijver moet eenvoudig schrijven, zo dat iedereen hem kan begrijpen. Een schrijver moet niet oppervlakkig maar persoonlijk schrijven. Hij moet weliswaar afstand van zijn emoties kunnen nemen, maar hij moet zijn emoties wel schrijven.’
‘Het gaat bij schrijven niet om de vorm, maar om de gedachten achter de woorden.’
‘Een kunstenaar moet zich uitdrukken op de manier die voor hem de beste is, hij moet dus zijn eigen methode vinden.’
Dit zijn enkele antwoorden van Wolkers, toen we hem een paar vragen stelden over kunst in het algemeen. Maar tekenend voor de warmvoelende en ruimdenkende mèns Jan Wolkers is de uitspraak, die we beschouwen als de belangrijkste van dit gesprek: ‘Het leven is oneindig veel meer waard dan de kunst. Als je één mensenleven kunt redden, moet alle kunst wijken.’
|
Bron: Henk Stoepker (17-jarige scholier) in Excentrale – Chr. Lyceum West Amsterdam, schooljaar 1963-1964 en in ‘Een tien voor de tieners – Een keuze uit wat er in het cursusjaar 1963-1964 is verschenen in de Nederlandse Schoolpers, Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar, ’s Gravenhage – Rotterdam.

 © 2002-2010 Wolkers' fragmenten. Alle rechten voorbehouden.